Van Gent naar Geraardsbergen,
daar liggen zeven scherven,
zeven scherven, al even blank,
langs den wijden watergang:
niemand die ze geraken kan,
niemand die ze genaken kan:
raad, wat zijn me die scherven dan?
En in 1898 droeg Gezelle het gedicht “O Wonder Wontergem” op aan Petrus Nolascus Lamon, pastoor in Wontergem. Omdat Lamon van 1872 tot 1878 surveillant was geweest in het Sint-Catharinacollege weidde Gezelle in dit gelegenheidsgedicht ook even uit over onze stad:
“Ik zie te Geraardsbergen, een bende jonge geesten
hem dwingen naar zijn vast en vaderlijk geweld;
ik zie ze luisteren, de minsten en de meesten,
hem volgend, daar hij voet en voorbeeld vorenstelt;
ik zie hem daar, daar alree, den goeden herder trachten
als herder na te gaan, in ‘t heerlijk schapenwachten.”
Of hij ooit onze stad bezocht, weten we echter niet maar met “het Zevengesternte” heeft Gezelle de naam van Geraardsbergen vereeuwigd.