Persberichten

Senator Guido De Padt (Open VLD) wil openabre criminaliteitscijfers per straat, buurt of stad

Burgers in Engeland en Wales die willen weten hoeveel criminaliteit en antisociaal gedrag er zich voordoet in hun straat, buurt of stad, kunnen dat heel gemakkelijk. De criminaliteitsstatistieken worden door de overheid op dat niveau namelijk beschikbaar gesteld via het internet.

Maar ook in Nederland vinden we een gelijkaardig initiatief. In Amsterdam kunnen inwoners alle informatie over het veiligheidsbeleid in de stad raadplegen op de website voor een veilig Amsterdam.

Sinds 2006 zijn op de website Cijfers Leefbaarheid en Veiligheid (http://www.eenveiligamsterdam.nl/cijfers_leefbaarheid/) de afzonderlijke cijfers over leefbaarheid en veiligheid per buurt beschikbaar. Deze buurtcijfers geven elke twee maanden een beeld van de veiligheid in de verschillende buurten. Daar worden o.a. de aangiftecijfers en cijfers uit bevolkingsonderzoek gepresenteerd. Amsterdammers krijgen daarmee de mogelijkheid om zelf te zien hoe het er met de veiligheid in hun buurt voorstaat.

In de Veiligheidsindex kunnen de ontwikkelingen in de buurt, het stadsdeel en de stad over een langere periode worden gevolgd. Met de index is het mogelijk de veiligheidssituatie van verschillende buurten te vergelijken ook in de tijd. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de objectieve index (vooral gebaseerd op politiegegevens) en de subjectieve index (vooral gebaseerd op veiligheidsgevoelens).

Daarnaast werden nog twee afzonderlijke indexen ontwikkeld om periodiek (elke vier maanden) inzicht te bieden in de jeugdcriminaliteit en risicofactoren in Amsterdam. De jeugdcriminaliteitindex geeft de mate van criminaliteit van jongeren per buurt weer, de risicofactorenindex geeft aan in hoeverre in buurten risicofactoren aanwezig zijn die de kans op jeugdcriminaliteit verhogen. De risicofactorenindex hangt sterk samen met de jeugdcriminaliteitindex.

Guido De Padt: “Deze twee initiatieven zijn goede voorbeelden van transparante publicatie van criminaliteitsstatistieken. Op die manier wordt ook de burger nauwer betrokken bij het veiligheidsbeleid. De vraag is natuurlijk of dit ook voor ons land haalbaar en wenselijk is. Maar één van de speerpunten voor de huidige bestuursperiode is uiteraard veiligheid . Veiligheid is een basisrecht en verdient de komende jaren de prioriteit.

Zonder veiligheid immers geen vrijheid. Een slagkrachtige politie en justitie zijn ook noodzakelijk voor het vertrouwen in onze rechtstaat. Het garanderen van de veiligheid en het aanpakken van de onveiligheid zijn in die zin heel belangrijk.“, stelt senator De Padt.

Hij is dan ook de mening toegedaan dat de hierboven aangehaalde initiatieven goede voorbeelden zijn van transparante en up-to-date publicatie van criminaliteitsstatistieken en andere relevante informatie betreffende het gevoerde veiligheidsbeleid. Hij zal aan de neiuwe minister van binnenlandse zaken dan ook vragen om in ons land een gelijkaardig initiatief uit te werken waarbij de criminaliteitscijfers tot op microniveau beschikbaar worden gesteld. Tijdens zijn ambt van minister van biza had hij al opdracht gegeven om de haalbaarheid ervan te onderzoeken.

Nieuwe beheersmethodes dossierafhandeling werpen vruchten af

Het aantal zaken dat tijdens de periode 2007 tot 2009 via de politiediensten bij de parketten binnen kwam steeg met twee procent. Het aandeel klassieke processen verbaal (PV)[1] daalde evenwel met 16 procent. Dit ten voordele van het Ambtshalve Politioneel Onderzoek (APO)[2] en het Vereenvoudigd Proces Verbaal (VPV)[3]. Zij kenden een stijging van respectievelijk ruim 60 procent (62,80) en een verdubbeling (100,07). Er bestaan wel grote verschillen tussen de gerechtelijke arrondissementen. Het dagvaardingspercentage voor zaken opgesteld op basis van een klassiek PV (3,85) ligt hoger dan voor zaken geregistreerd op basis van een APO (2,34)  of VPV (0,41). Na voeging stijgen deze percentages voor alle drie de soorten registraties, alsook het aandeel zondergevolgstellingen. Terwijl twee derde van de sepots gebeuren om technische motieven, wordt één derde geseponeerd om opportuniteitsredenen. Het zijn vooral VPV’s die om technische redenen worden geseponeerd (82,19%). Bij de opportuniteitssepots staan de APO’s op kop (36,26%). Kijken we naar het aantal zaken dat tijdens dezelfde referentieperiode werd heropend, dan zien we dat dit het vaakst gebeurd in het kader van een VPV, namelijk in 5,53%. Bijna de helft van de geseponeerde heropende zaken, wordt opnieuw zonder gevolg gesteld (46,36%) of gevoegd aan een andere zaak (31, 74%). Slechts in drie procent van de gevallen wordt overgegaan tot een dagvaarding. Dit alles blijkt uit het antwoord van de minister van Justitie, Stefaan De Clerck (CD&V) op een parlementaire vraag van senator Guido De Padt (Open Vld).

Terwijl in 2007 566 599 zaken bij de parketten binnen kwamen, steeg dit aantal tot 577 049 in 2009, of een stijging met 2 procent. Het aandeel klassieke pv’s bedroeg in 2007 nog 77,62 procent of 439 806 zaken. Twee jaar later ging om 376 610 zaken of 63,61%. Dat betekent een daling van 16,42%. Het aantal APO’s daarentegen steeg van 112 593 zaken of 19,87% tot 183 300 of 31, 72%. Een stijging met 62,80%. Het aantal VPV’s steeg in die periode van 13 475 of 2,38% tot 26  959 of 4,66%. Een verdubbeling dus.

Uit deze cijfers blijkt duidelijk dat de nieuwe methodes vrij goed hun ingang vinden bij onze politiediensten’ merkt De Padt op. ‘We merken een duidelijke daling van het aantal klassieke PV’s ten voordele van de nieuwe methodes. Op die manier worden de parketten zeker en vast ontlast. De politie onderzoekt namelijk meer zaken zelf alvorens ze over te maken aan de parketten of maakt ze helemaal niet over indien de politie dat niet nodig acht. Hier beschikken we bovendien enkel over het aantal VPV’s die door de parketten zijn opgevraagd. Hun echte aantal ligt nog veel hoger. Deze stijging zorgt ook voor een daling van de werklast van de politie. Daarmee bereiken de nieuwe methodes duidelijk hun doelstelling: het verlagen van de werkdruk van de politie en de parketten.

Over de volledig periode klokken de klassieke pv’s af op 69,49%, de APO’s op 26,99% en de VPV’s op 3,47%. Tussen de gerechtelijke arrondissementen bestaan wel opmerkelijke verschillen. Terwijl het aandeel klassieke pv’s in het arrondissement Bergen bijvoorbeeld nog 95,34% bedroeg, was dit in Oudenaarde 44,10%. Het aandeel APO’s was het hoogst in Mechelen met 52,30% en het laagst in Bergen (2,95%). Bergen bengelt ook helemaal onderaan voor wat betreft het percentage VPV’s, namelijk 1,70. Het hoogste percentage treffen we hier opnieuw aan in Oudenaarde met 12,44%.

Het aantal sepots ligt het hoogst voor APO-dossiers met 75,36%. Op de tweede plaats staan de VPV’s (65,42%), gevolgd door de klassieke PV’s (64,56%). Na voeging aan de moederzaak stijgen deze percentages tot 68,85% voor klassieke PV’s, 68,12% voor VPV’s en 80,43% voor de APO’s. Maar ook de dagvaardingspercentages stegen. Tot 9% voor klassieke PV’s, 5,4% voor APO’s en 4,24% voor VPV’s. Kijken we naar de motieven van technische zondergevolgstelling dan zien we dat bij de APO’s het hoofdzakelijk gaat om onbekende daders (32,49%) en onvoldoende bewijzen (17,31%). Bij VPV’s gaat het hoofdzakelijk om onbekende daders (67,86%) en geen misdrijf (9,24%). Klassieke PV’s worden vooral geseponeerd omwille van onbekende daders (38,05%), geen misdrijf (15,89%) en onvoldoende bewijzen (10,67%). Uiteindelijk tekenen de klassieke PV’s voor 30,73% van de opportuniteitssepots. De VPV’s zijn goed voor 16,39%.

Over de hele referentieperiode werden 81 787 zaken heropend of 4,75 procent. Procentueel gebeurde dit dus het meest voor VPV’s. Bij klassieke PV’s lag dit aandeel een stuk lager met 4,71% of 56 312 heropende zaken. Bij de APO’s ging het dan om 22 113 heropende zaken of 4,76%. Uiteindelijk werd bij 3,09% of & 740 van de heropende zaken op basis van een klassiek PV gedagvaard. Bij de APO’s lag dit percentage op 3,22%, goed voor 713 zaken. Bij de VPV’s ten slotte, ging het om 35 zaken of 1,06%.

Guido De Padt (0475/44 94 04)


[1] Een gewoon proces verbaal wordt volgens de gebruikelijke werkwijze opgesteld en aan het parket overgemaakt.

[2] Bij een APO onderzoeken de politiediensten ambtshalve de feiten en zenden nadien het afgewerkt dossier aan de procureur des Konings. De vermelde cijfers hebben betrekking op de APO’s die reeds naar de parketten werden gestuurd.

[3] Bij een VPV leggen de politiediensten bepaalde strafbare feiten vast in een zeer beknopt proces-verbaal, dat niet aan het parket wordt toegezonden. De cijfers hier hebben echter enkel betrekking op de VPV’s die door de parketten werden opgevraagd. Deze aantallen stemmen dus niet overeen met het totaal aantal VPV’s die door de politiediensten werden opgesteld.

Fraude met kilometertellers noopt internationale aanpak

Tussen 2008 en 2010 daalde het aantal vaststellingen van fraude met kilometertellers bij de verkoop van tweedehands wagens met 14 procent tot  1393. Voor de invoering van Car-Pass werd het aantal fraudegevallen nog geschat op zestigduizend. De cijfers houden evenwel geen rekening met grensoverschrijdende fraude, noch bij ingevoerde tweedehands wagens als bij de uitvoer. Net daar wordt echter het meest gefraudeerd. Cijfergegevens over het aantal meldingen van keuringscentra van vervalsing van kilometertellers aan politie en parket zijn niet beschikbaar. Net zomin als informatie betreffende het aantal inbeslagnames en verbeurdverklaringen. In de periode 2007 tot en met de eerste helft van 2010 stroomden bij de correctionele parketten 352 zaken van fraude met kilometertellers binnen. Uit de vooruitgangsstaat op 10 juli 2010 blijkt dat slechts goed tien procent een dagvaarding in de bus kreeg. In diezelfde periode spraken de correctionele parketten een vonnis uit in 32 zaken van fraude met kilometertellers. Om deze problematiek aan te pakken beschikken we niet alleen over een specifieke wet en het Car-pass systeem. Inbeslagnames zijn ook mogelijk. Het Nationaal Overlegplatform Autocriminaliteit volgt dit fenomeen ook nauwgezet op. Dit alles blijkt uit het antwoord van de minister van Justitie, Stefaan De Clerck (CD&V) op een parlementaire vraag van senator Guido De Padt (Open Vld).

Terwijl in 2008 1614 gevallen van terugdraaien van kilometertellers werden vastgesteld, ging het twee jaar later om 1393 gevallen. Dat is een daling van 221 feiten, of bijna 14 procent. Die daling was al te merken in 2009 toen het om 1395 vaststellingen ging. Voor 2007 zijn geen cijfers beschikbaar. Deze gegevens houden dus geen rekening met mogelijke fraude bij ingevoerde tweedehands wagens. Uit steekproeven bleek nochtans dat het fraudepercentage daar makkelijk 10 tot 20 procent bedraagt, in vergelijking met 0,20 procent voor nationale verkopen. Maar ook bij de uitvoer van wagens is fraude schering en inslag. Uit een Frans onderzoek naar kilometerfraude met voertuigen ingevoerd uit ons land bleek in 43 % van de gevallen met de teller te zijn geknoeid. De gemiddelde fraude bedroeg 91 000 kilometer. ‘Uit deze informatie blijkt overduidelijk dat hier een internationale aanpak noodzakelijk is’ stelt Guido De Padt. ‘Autocriminaliteit is een internationaal probleem dat een nationale aanpak overstijgt. Dit blijkt ook voor fraude met kilometertellers. In die zin noopt internationale samenwerking een aanbeveling. Daarbij is het vooral van belang de noodzakelijke informatie door te spelen zodat controle mogelijk is. In de strijd tegen fraude met kilometertellers kan dan best worden voorzien in een Europese databank waardoor voertuigen ten alle tijde traceerbaar zijn en de controlediensten en andere instellingen online en in real time over de juiste informatie kunnen beschikken.’

In drie en een half jaar tijd stroomden in België 352 zaken in bij de correctionele parketten. De overgrote meerderheid kwam uit het rechtsgebied Gent, namelijk 274 zaken of 78%. In 2007 stroomden er 179 zaken in, het jaar daarop ging het om 102 zaken en in 2009 eindigde de teller op 68. Dat komt neer op een daling van ruim 60 procent. Een gelijkaardige evolutie zagen we in het arrondissement Gent. Terwijl in 2007 nog 159 zaken instroomde, daalde dit aantal tot 57 in 2009, een daling van 64%. ‘Hier zien we toch wel een opmerkelijke daling van het aantal zaken dat instroomt bij de parketten’ merkt De Padt op. ‘Deze cijfers bewijzen dat de aanname van de wet tot beteugeling van bedrog met de kilometerstand van voertuigen in 2004, en de oprichting van de vzw Car-Pass die de kilometerstand van voertuigen registreert in 2006, duidelijk resultaat opleveren in ons land. Maar terwijl het probleem in België onder controle raakt, merken we dus een verschuiving van deze problematiek naar een grensoverschrijdend fenomeen. Er is dus een gelijkaardige aanpak nodig.

De vooruitgangsstaat op 10 juli 2010 van de ingestroomde zaken leert dat net geen vier zaken op tien in (voor)onderzoek zaten (39%) en goed vier op tien zonder gevolg werden geklasseerd (42%). In drie op vijf  zaken zonder gevolg gesteld lagen technische redenen daaraan ten grondslag, waarvan 22% wegens geen misdrijf en 31% wegens gebrek aan bewijs. Ruim een vijfde van de zonder gevolgstellingen was het gevolg van het overschrijden van de redelijke termijn (22%). Van die 352 zaken werden er 111 gevoegd. Uiteindelijk werd slechts in bijna 11 procent gedagvaard en verder gevolg geven aan de zaken. Op die 38 zaken werd slechts voor 32 een vonnis uitgesproken. Die hadden betrekking op 38 verdachten. Er werden door de correctionele parketten 13 veroordelingen, 8 opschortingen en 13 vrijspraken uitgesproken.

Guido De Padt (0475/44 94 04)

Criminaliteit Brusselse metro stijgt opnieuw met 1 feit per dag tot 9 feiten per dag

Vorig jaar steeg de criminaliteit in de Brusselse metro opnieuw met bijna 13 procent. Terwijl in 2009 nog 2796 feiten werden geregistreerd of bijna 8 per dag, ging het in 2010 om 3155 feiten, of bijna 9 per dag. Dat komt neer op een stijging van 359 feiten, of ongeveer 1 feit per dag. In de overgrote meerderheid van de gevallen gaat het om dietstal (69 %). Daarnaast worden vooral gewelds- (5 %) en drugsdelicten (3 %) vastgesteld. Verboden wapendracht komt ook voor (1 %). Alhoewel voor 2011 nog geen officiële cijfers beschikbaar zijn, zouden de cijfers naar schatting gelijk lopen met die van 2010. Van een daling zou dus geen sprake zijn. De metropolitie kampt in globo met drie problemen: een personeelstekort, een probleem van huisvesting en een communicatieprobleem. Voor alledrie deze problemen wordt gezocht naar een oplossing. Dit alles blijkt uit het antwoord van de minister van Binnenlandse Zaken, Annemie Turtelboom (Open Vld) op een mondelinge vraag in de plenaire vergadering vandaag in de Senaat van partijgenoot Guido De Padt.

Om het tekort aan effectieven op te lossen worden op dit moment 29 afgedeelde personeelsleden ter beschikking van de Brusselse metropolitie gesteld. Daarnaast werden ook 24 vacatures open verklaard in het kader van de lopende mobiliteitsprocedure. In december studeren opnieuw een aantal agenten af, waarvan een deel kan terechtkomen bij de metrobrigade van Brussel. De minister erkent tevens dat de aanrijtijden te lang zijn doordat de kazerne vandaag is gehuisvest in Etterbeek. Daarom heeft de minister deze week opnieuw het initiatief genomen om het overleg over de realisatie van de huisvesting in de nabijheid van het Zuidstation, meerbepaald in de Blérotstraat, op te voeren. Qua veiligheid onderzoek Astrid op dit moment hoe vijf sites technich nog beter zouden kunnen worden bediend.

‘Uit dit antwoord blijkt duidelijk dat het criminaliteitsprobleem in de Brusselse metro een realiteit is‘ aldus Guido De Padt. ‘Anderzijds kan niet worden ontkend dat de minister de nodige inspanningen levert om aan deze problematiek tegemoet te komen. Ook van de top van de federale politie wordt één en ander verwacht om de problemen te helpen oplossen. Er wordt ook heel wat overlegd. Eind deze maand is er ook een overleg gepland met de vakbonden. Dat is uiteaard allemaal een goede zaak. De extra manschappen zijn geen overbodige luxe en een centraal commissariaat kan een optimale aansturing van het personeel bevorderen en moet een efficiënt beheer van mensen en middelen mogelijk maken, in het voordeel van de burger en de veiligheid. Want ondanks de enorme besparingsoperatie die ons te wachten staat en de noodzaak aan een slankere overheid, mag er immers niet zomaar worden bespaard op de veiligheid van de burger in onze hoofdstad‘ besluit De Padt.

Guido De Padt (0475/44 94 04)

Maandelijks een erkende ramp in België

Tussen 2007 en 2010 werden 47 gebeurtenissen in ons land erkend als algemene ramp. Dit komt ongeveer neer op één erkende ramp per maand. In ruim driekwart van de rampen ging het om overvloedige regenval, 36 gevallen en 77 procent om precies te zijn. Vorig jaar intervenieerde de Civiele Bescherming 549 keer voor overstromingen en stormschade. Een jaar eerder rukten ze slechts 189 keer uit. Dat is bijna een verdrievoudiging. Kijken we naar de gepresteerde manuren die daar tegenover staan, dan zien we bijna een verzesvoudiging, van 1986 in 2009 naar 11 384 in 2010. Het totaal aan financiële tussenkomsten bij die rampen liep in die vier jaar op tot bijna 31 miljoen euro. De vijf zwaarste rampen slokten driekwart van deze tussenkomsten op. Over de inzet van de brandweer beschikt de bevoegde federale minister over geen informatie. De invoering van fiscale gunstmaatregelen voor uitgaven ter beveiliging van privéwoningen tegen wateroverlast, is vandaag niet aan de orde. Er bestaat blijkbaar nog geen beschermingssysteem op dat vlak waarvan de efficiëntie op een objectieve en unanieme wijze werd aangetoond. Dit alles blijkt uit het antwoord van de minister van Binnenlandse Zaken, Annemie Turtelboom (Open Vld) op een parlementaire vraag van senator Guido De Padt (Open Vld).

Terwijl in 2007 16 gebeurtenissen werden erkend als ramp, ging het een jaar later om 12 rampen. De volgende twee jaar waren dat 11 en 8 gebeurtenissen. Naast de overvloedige regenvallen erkenden we in ons land ook 7 stormen als ramp, alsook 3 gevallen van hagel en één overstroming. In 2007 rukte de Civiele bescherming 256 keer uit. Het jaar daarop moesten ze 250 keer tussenkomen. Een vergelijking met de jaren 2009 en 2010 ligt moeilijk aangezien de gegevens van 2 operationele eenheden (Librament en Ghlin) voor die jaren ontbreken. In totaal moest de Civiel Bescherming volgens de beschikbare informatie alvast 1244 keer uitrukken, of 311 keer per jaar. Dat deden ze 704 keer voor overstromingen en 540 keer voor stormschade. De gegevens van de brandweer op dit vlak zijn niet in het bezit van de federale minister aangezien ze behoren tot de bevoegdheid van de lokale overheden.

Uit deze gegevens blijkt duidelijk dat overvloedige regenval het grootste probleem is’ merkt De Padt op. ‘Niet alleen driekwart van de erkende rampen hebben daarop betrekking, ook de Civiele Bescherming moest daarvoor het vaakst uitrukken. Dan beschikken we hier nog niet eens over het aantal keer en voor hoeveel manuren de brandweerkorpsen in ons land doorvoor moesten uitrukken.

De schade aan onroerende goederen bedroeg in die periode bijna zes miljoen euro, 5 984 226 om precies te zijn. De beroepskosten bedroegen een goed half miljoen euro (503 962 euro). De totale landbouwschade liep op tot 24 242 980 euro. Dat komt neer op vier vijfde van de totale schade. De ramp die het meest schade veroorzaakte was de overvloedige regenval van 23 en 24 juli 2007. De schade liep op tot 13 492 922 euro. Op de tweede plaats volgen de stormwinden op 18 en 19 januari 2007 met 4 235 264 euro schade. Op de derde plaats staat de overvloedige regenval van 6 en 7 augustus 2008, met 2 589 235 euro aan schade. De top vijf wordt vervolledigd door de overvloedige regenvallen op 20 juli 2007 en 9 juni 2009, waarbij de schade respectievelijk 1 813 192 en 1 321 120 euro bedroegen.

Ook uit de veroorzaakte schade blijkt overvloedige regenval het grootste probleem te zijn. De landbouwsector treft in ieder geval de meeste schade’ stelt De Padt. ‘Maar ook woningen liepen daarbij toch behoorlijk wat schade op. Helaas blijkt er -althans volgens minister Turtelboom- vandaag geen beschermingssysteem voor handen om woningen tegen deze schade te beschermen waardoor fiscale gunstmaatregelen om ze daartegen te beschermen niet aan de orde zijn. Guido De Padt is het daarmee niet eens. In Geraardsbergen, de thuisstad van Guido De Padt , werden alvast al 18 stedelijke premies uitgereikt aan inwoners die waterwerende werken uitvoerden. Het gaat over de aankoop van waterpompen, het bouwen van dompelputten en keermuren, enz. Het moet dus wél degelijk mogelijk zijn om dergelijke werken te definiëren’ aldus De Padt.

Guido De Padt (0475/44 94 04)

Drie wegen naar modern spoorvervoer

Senator Guido De Padt pleit voor een grondige hervorming van de NMBS-groep. Deze hervorming steunt op drie peilers: de hervorming van de drieledige structuur tot een tweeledige, een hervorming van het personeelsstatuut en het doorvoeren van efficiëntieprogramma’s. De huidige opsplitsing in drie entiteiten biedt weinig toegevoegde waarde en zorgt voor grote onduidelijkheid en veel coördinatieproblemen. Het wettelijk verankerde historische personeelsstatuut legt een zware hypotheek op de operationele slagvaardigheid. Qua efficiëntie bestaat een achterstand met vergelijkbare spoorwegondernemingen. De reiziger is telkens het slachtoffer. Deze hervormingen zijn noodzakelijk om in de toekomst hoogkwalitatief en efficiënt spoorverkeer tegen een competitieve prijs te kunnen blijven aanbieden, om bij te dragen aan de sanering van de begroting en ter voorbereiding op de liberalisering van het binnenlands reizigersvervoer.

In de eerste plaats dringt een zuivere tweedeling tussen de infrastructuurbeheerder en de operator zich op, waarin alle infrastructuurgebonden bevoegdheden naar Infrabel en alle exploitatiegebonden bevoegdheden naar de NMBS gaan. Alle activa en passiva alsook de personeelsleden dienen overeenkomstig deze bevoegdheidsverdeling te worden overgeheveld. Daarbij is het belangrijk duidelijke en ambitieuze regels vast te leggen omtrent samenwerking en coördinatie, zowel op strategisch als operationeel vlak, alsook om toe te zien op een strikte onafhankelijkheid tussen beide. Deze fundamentele tweeledigheid is een optie waar de meeste Europese lidstaten voor hebben gekozen. Het biedt de Belgische spoorwegmarkt ook betere kansen om zich te integreren in een gemeenschappelijke Europese spoorwegruimte. Het legt de finale verantwoordelijkheid ook bij die entiteiten die rechtstreeks in contact staan met de klanten.

Ten tweede hebben we nood aan een stabiel juridisch kader waarbij beide entiteiten voldoende bewegingsruimte krijgen om de inzet van hun productiemiddelen te optimaliseren en hun kosten beter te beheersen.  Een hervorming van het personeelsstatuut waarbij beide entiteiten  autonoom bevoegd worden voor hun personeel en uitsluitend contractueel personeel aanwerven biedt hier soelaas.  Het huidige personeelsstatuut werkt contraproductief en is niet langer te verantwoorden gelet op de gewijzigde marktomstandigheden. Op die manier blijft de continuïteit van de openbare dienst verzekerd. Het is zeker niet de bedoeling om afbreuk te doen aan de rechten inzake werkzekerheid, bezoldiging en pensioenen van de huidige personeelsleden. De geplande pensioneringsgolf de komende 10 jaar creëert een enorme opportuniteit om deze hervorming zonder sociaal bloedbad door te voeren.

Ten derde moet het doorvoeren van efficiëntieprogramma’s honderden miljoenen besparingen opleveren. Daarbij wordt best prioriteit gegeven aan efficiëntiewinsten die de globale dienstverlening aan de reizigers niet negatief beïnvloeden. De NMBS-groep moeten zich verder concentreren op hun kerntaken. Ten derde is meer outsourcing noodzakelijk. Een overdreven insourcingspolitiek zorgt bijna altijd voor een grote handicap inzake flexibiliteit en overdreven kosten zonder dat dit gepaard gaat met een betere dienstverlening. Bovendien maken ze het beleid ondoorzichtig en stelt zich de vraag of de investeringen wel voldoende toegevoegde waarde creëren in functie van de core business. Dit kan bovendien extra zuurstof geven aan het economisch weefsel in ons land.

Buitenlandse vrachtwagens goed voor de helft dodelijke ongevallen op Belgische snelwegen

Een kwart van de vrachtwagens die van 2005 tot en met 2009 op onze Belgische wegen betrokken raakten bij een dodelijk ongeval waren van buitenlandse herkomst. Op onze autosnelwegen liep hun aandeel in die periode zelf op tot vijfenveertig procent. Kijken we naar alle voertuigcategorieën, dus motors, auto’s en bestelwagens meegerekend, dan heeft net geen één voertuig op tien een vreemde nationaliteit op alle Belgische wegen. Voor alle soorten voertuigen samen tekenen buitenlandse op onze autosnelwegen voor goed twintig procent. Een gevoel van straffeloosheid, gebrekkige kennis van onze wegeninfrastructuur en concentratiestoornissen zijn de belangrijkste factoren die een rol spelen bij het verhoogde risico op betrokkenheid bij een dodelijk ongeval voor buitenlandse voertuigen. Het opvragen van buitenlandse nummerplaten zal binnenkort wel een stuk makkelijker worden. Dit alles blijkt uit het antwoord van staatssecretaris voor Mobiliteit, Etienne Schouppe (CD&V), op een schriftelijke vraag van senator Guido De Padt (Open Vld).

In de referentieperiode waren net geen vijf procent van de motors betrokken bij een dodelijk ongeval op alle Belgische wegen van vreemde nationaliteit. Voor auto’s ging om goed acht procent terwijl bestelwagens daar net onder bleven. Het zijn vooral buitenlandse vrachtwagens die bij dodelijke ongevallen betrokken geraken op onze wegen. Voor 2009 ging het zelf om 31 procent. Het aandeel van motors lag op de autosnelwegen iets boven de vijf procent. Voor wagens en bestelwagens ging het in die periode op de autosnelwegen om ongeveer 20 procent, respectievelijk 19,6 en 18,6 procent om precies te zijn. Het meest opmerkelijke cijfer betrof het aandeel van buitenlandse vrachtwagens betrokken bij dodelijke ongevallen op onze autosnelwegen in 2009. Toen bleken meer dan de helft van vreemde oorsprong te zijn, namelijk 52 procent.

Het is duidelijk dat buitenlandse vrachtwagens in niet onaanzienlijke mate betrokken geraken bij dodelijk ongevallen op onze Belgische wegen, zeker op de autosnelwegen’ merkt De Padt op. ‘De impact van ongevallen met vrachtwagens is doorgaans groter dan bij andere voertuigcategorieën. Willen we het aantal dodelijke slachtoffers op onze wegen de komende jaren verder doen dalen, zullen de beleidsverantwoordelijken toch bijzondere aandacht moeten schenken aan dit verschijnsel’ aldus de Padt.

De hoge betrokkenheid van buitenlandse voertuigen, vooral vrachtwagens, bij de dodelijke ongevallen op onze autosnelwegen, hoeft niet te verwonderen, aangezien die voertuigen vooral de autosnelwegen gebruiken. Anderzijds wordt gesteld dat buitenlandse vrachtwagens in verhouding tot hun aandeel gereden kilometers een relatief klein aandeel in de vrachtwagenongevallen hebben. Een mogelijke reden hiervoor is het feit dat buitenlandse vrachtwagens, nog meer dan de Belgische, vooral op autosnelwegen rijden, waar verhoudingsgewijs weinig ongevallen gebeuren.

Alhoewel er op autosnelwegen dus relatief gezien minder ongevallen gebeuren, zijn buitenlandse vachtwagens toch zeer sterk vertegenwoordigd bij dodelijke ongevallen’ stelt De Padt. ‘Rekening houdend met de impact van een ongeval met een vrachtwagen op een autosnelweg, zowel naar omvang van de materiële en fysieke schade als de economische gevolgen, o.a door de veroorzaakte files, dringen maatregelen zich op om dit aandeel naar beneden te halen. Eenvormige Europese regelgeving en gerichte controles, in het bijzonder op de meest risicovolle plaatsen verdienen dus een aanbeveling’ aldus De Padt.

Buitenlandse chauffeurs lopen blijkbaar meer risico op betrokkenheid bij een dodelijk ongeval om verschillende redenen. Het gaat dan om een gevoel van straffeloosheid bij het begaan van (snelheids)overtredingen, het niet goed kennen van onze wegeninfrastructuur en bewegwijzering die specifieke kenmerken heeft, geen rekening houden met de signalisatie van wegenwerken of die te laat opmerken, en allerhande factoren die de concentratie verstoren, zoals vermoeidheid, afleiding en dergelijke. Toch worden buitenlandse commerciële vrachtwagens evenveel gecontroleerd als Belgische. Het opvragen van buitenlandse nummerplaten wordt in de nabije toekomst een stuk eenvoudiger dankzij Europese regelgeving.

Het is een goede zaak dat het opvragen van buitenlandse nummerplaten in de toekomst vlotter zal gaan’ volgens De Padt. ‘Deze maatregelen kunnen zeker en vast het gevoel van straffeloosheid verminderen, wat ontegensprekelijk een impact zal hebben op het respecteren van de verkeersregels door buitenlanders op onze wegen, wat op zijn beurt een positief effect kan ressorteren inzake de verkeersveiligheid. Zeker in een transitland als België is dit noodzakelijk’ besluit De Padt.

Guido De Padt (0475/449404)

Eén vijfde criminaliteit gepleegd door vreemdelingen

Twintig procent van de meest voorkomende vormen van criminaliteit, met uitzondering van de inbreuken op de vreemdelingenwetgeving , wordt in ons land gepleegd door vreemdelingen. [1] Vier feiten op vijf worden dus gepleegd door personen met de Belgische nationaliteit. In het Brussels Hoofdstedelijk gewest tekenen de vreemdelingen voor drie feiten op tien of dertig procent. De Belgen zijn dus goed voor zeventig procent. In Vlaanderen en Wallonië klokt hun aandeel af op respectievelijk 14 en 16 procent, of één feit op zes in Vlaanderen en één op zeven in Wallonië. In Vlaanderen wordt dus 86 procent gepleegd door Belgen, in Wallonië gaat het om 84 procent. Informatie over de etnische afkomst van de verdachten wordt niet geregistreerd in de ANG. We weten dus niets over de eventuele buitenlandse herkomst van verdachten met een Belgische nationaliteit. Op dit moment onderzoekt een werkgroep wel de wettelijkheid en opportuniteit van een etnische registratie. Dit alles blijkt uit het antwoord van minister van Binnenlandse Zaken, Annemie Turtelboom (Open Vld) op een schriftelijke vraag van senator Guido De Padt (Open Vld).

Ik denk dat de registratie van etniciteit ons een beter inzicht kan verschaffen in criminaliteit en een belangrijke bijdrage kan leveren aan het criminaliteitsbeleid, maar evenzeer aan het uitwerken van een degelijk integratiebeleid’ stelt Guido De Padt. ‘Aandacht voor criminaliteit gepleegd door etnische minderheden is dus nodig. Deze criminaliteit kunnen we namelijk beschouwen als een belangrijke indicator en als een gevolg van integratie en de te overbruggen culturele verschillen.’

Het niet registreren van etniciteit is vanuit het oogpunt van een anti-racistisch beleid misschien begrijpelijk. Anderzijds kan niet worden ontkend dat de niet-registratie een aantal nadelen met zich mee brengt. Het is bijvoorbeeld onmogelijk om vanaf de tweede generatie allochtonen te onderscheiden van autochtonen. België is namelijk hun geboorteland. Door de niet-registratie gaat ook een mogelijk belangrijke signaalwerking verloren en wordt het bovendien moeilijker om zicht te krijgen op een mogelijke etnische oriëntering van het justitiële apparaat.’ aldus De Padt.

‘Ook het European Union Agency for Fundamental Rights stelt op basis van een recent onderzoek (bij ruim 23.500 immigranten en leden van etnische minderheden) dat er nood is aan meer registratie van etniciteit om juist het bestaan van discriminatie te kunnen nagaan. Als goede praktijk wordt verwezen naar het Verenigd Koningrijk (UK) waar etniciteit geregistreerd wordt bij ‘police stops’ of controles. Deze registratie wordt publiek gemaakt en draagt zo bij tot de accountability (verantwoording) van de politie en kan desgevallend leiden tot bijsturing van de politiehouding ten opzichte van minderheden’ merkt De Padt op.

In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest plegen vreemdelingen dertig procent van de criminaliteit. Daarvan wordt 9 procent gepleegd door West Europeanen[2], 3 procent door Oost Europeanen[3] en 14 procent door Noord Afrikanen[4] en Turken. De resterende 4 procent is voor rekening van de Congolezen. Van de 14 procent criminaliteit gepleegd door vreemdelingen in Vlaanderen wordt 7 procent gepleegd door West Europeanen, 2 procent door Oost Europeanen en 4 procent door Noord Afrikanen en Turken. Het resterende procent komt hier op de rekening van de Russen. In Wallonië ziet het plaatje er als volgt uit: 16 procent van de criminaliteit wordt gepleegd door vreemdelingen waarvan 11 procent door West Europeanen, 1 procent door Oost Europeanen en 3 procent door Noord Afrikanen en Turken. De Congolezen en in minimale mate de Russen tekenen voor het resterende procent van de criminaliteit.

Guido De Padt (0475/449404)


[1] Het gaat om de 10 meest voorkomende rubrieken van misdrijven, namelijk bedrog, bevolkingsregister, diefstal en afpersing, drugs, geweld tegen eigendom, misdrijven tegen andere morele waarden, misdrijven tegen de lichamelijke integriteit, misdrijven tegen de openbare veiligheid en wapens en springstoffen. De inbreuken tegen de vreemdelingenwetgeving werden hier niet meegerekend. Daarbij zien we immers een totaal verschillend beeld. Gelet op de aard van het misdrijf hoeft dit uiteraard niet te verwonderen. Deze inbreuken opnemen zou het totaalbeeld te veel vertekenen en de algemene trend ondergraven. Daarom werden die cijfers eruit gelicht.

[2] Enkele West Europese landen vullen de top tien (meestal bovenaan) steevast aan (Frankrijk, Italië, Nederland, Portugal, Spanje), enkele andere komen ook nog voor (Duitsland, Verenigd Koninkrijk en Luxemburg).

[3] Uit Oost Europa zitten er ook een paar vaste klanten in de top tien (Roemenië, Polen), samen met een reeks andere landen die af en toe voorkomen (Slowakije, Bulgarije).

[4] Uit Noord Afrika hebben we ook vaste klanten (vaak bovenaan) in de top tien (Marokko, Algerije en Tunesië).

Open Vld wil rijverbod als autonome straf

Senatoren Guido De Padt, Alexander De Croo, Bart Tommelein en Martine Taelman (Open VLD) willen het rijverbod als mogelijke straf voor correctionele misdrijven (bijvoorbeeld diefstal, oplichting, dealen van drugs, enz.) invoeren. Een verval van het recht tot sturen kan in België vandaag enkel worden opgelegd als bijkomende straf bij verkeersmisdrijven. De liberalen willen het verval van het recht tot sturen in het straffenarsenaal inschrijven, zowel als hoofdstraf als bijkomende straf, ook voor niet-verkeersgerelateerde misdrijven. Ze zullen daartoe een wetsvoorstel in de Senaat indienen.

Steeds meer landen, zoals bijvoorbeeld Frankrijk en Duitsland, opteren ervoor om misdrijven te bestraffen met een rijverbod. Volgens de Open Vld senatoren is het hoog tijd om dit voorbeeld te volgen: “Een rijverbod als mogelijke straf voor wanbedrijven kan bijzonder effectief zijn ten aanzien van personen die al glimlachend een geldboete van enkele duizenden euro’s betalen. Daarnaast moet een verval van het recht tot sturen ook mogelijk zijn voor diegene die veroordeeld zijn tot een korte celstraf, maar die feitelijk niet uitzitten wegens de overbevolking van de gevangenissen. Een rijverbod is dan niet alleen effectiever, maar komt ook tegemoet aan het gevoel van straffeloosheid” aldus senator De Padt.

De voorkeur voor een rijverbod als toevoeging aan het Belgisch straffenarsenaal is niet zomaar uit de lucht gegrepen. De keuze past in de ontwikkeling van een moderner strafbeleid. In een maatschappij waar mobiliteit van onmiskenbaar belang is, kan een rijverbod een bijzonder effectief middel zijn in de strijd tegen de criminaliteit. Misdadigers kunnen zo niet alleen worden geraakt waar het echt pijn doet, maar net zoals een werkstraf heeft een rijverbod als voordeel dat de schadelijke neveneffecten van een gevangenisstraf tot een minimum worden herleid. Tot slot levert het rijverbod ook nog een win-winsituatie op betreffende kostenefficiëntie. Voor elke veroordeelde die geen gevangenisstraf moet uitvoeren bespaart de maatschappij per jaar enkele tienduizenden euro’s. De kritiek dat een verval van het recht tot sturen niet als een volwaardige hoofdstraf kan worden beschouwd, verwerpen de liberale senatoren ten stelligste: “De auto is voor velen niet alleen een middel om van hun vrijheid te genieten, het is ook een manier om uiting te geven aan hun sociale status. De auto is het symbool hij uitstek van zelfbeschikking en zelfredzaamheid” besluit Guido De Padt.

Guido De Padt (0475/44 94 04)

Controles horeca verdubbeld in twee jaar tijd

Op twee jaar tijd zijn zowel het aantal controles als het aantal gecontroleerde zaken in de horeca bijna verdubbeld. Er wordt vooral gecontroleerd op infrastructuur, inrichting en hygiëne en het rookverbod. Maar er wordt ook gecontroleerd op de autocontrole of het zichzelf controleren, de traceerbaarheid en de meldingsplicht. Alhoewel er uiteraard nog steeds ruimte is voor verbetering, doet de horeca het toch nog niet zo slecht als algemeen wordt aangenomen. Restaurants worden gemiddeld om de drie jaar gecontroleerd, cafés om de zes jaar. Het publiceren van de individuele inspectieresultaten van de controlediensten is een te overwegen laatste middel als de huidige maatregelen niet de verhoopte vruchten afwerpen. Dit alles blijkt uit het antwoord van de Minister van KMO’s, Zelfstandigen, Landbouw en Wetenschapsbeleid, Sabine Laruelle (MR), op een schriftelijke vraag van senator Guido De Padt (Open Vld).

Terwijl in 2008 7331 controles in 7068 horecazaken werden uitgevoerd, steeg dit aantal naar 14 189 controles in 13 746 zaken in 2010. Dat is een stijging van respectievelijk 93,5 en 94,5 procent. Bijna een verdubbeling dus. De grootste stijging deed zich voor in 2009. In dat jaar werden 12 810 zaken gecontroleerd bij 13 406 controles. Dat was al een stijging van 83 en 81 procenten ten opzichte van het jaar voordien. In vier op de vijf controles wordt gecontroleerd op infrastructuur, inrichting en hygiëne en het rookverbod. Terwijl het in 2008 nog om respectievelijk 76 en 72 procent ging, steeg dit aandeel naar 92 en 90 procent vorig jaar. Vorig jaar controleerden de diensten ook bij ongeveer één controle op drie de autocontrole, de traceerbaarheid en de meldingsplicht. Ook hier merken we een lichte stijging tegenover twee jaar eerder. Het aandeel ongunstige controles bedroeg over de drie jaar gemiddeld één op tien inzake het rookverbod. Voor wat de meldingsplicht betreft ging het om 6,5 procent en voor de traceerbaarheid om 15 procent. De meest voorkomende tekortkoming betreft dan weer de netheid van de ruimtes en de oppervlakten. Op dat vlak scoorde bijna de helft of 57 procent ongunstig. ‘Alhoewel op dit vlak dus duidelijk nog ruimte voor verbetering is, stellen we toch vast dat de horeca het uiteindelijk toch nog niet zo slecht doet’ merkt De Padt op. ‘Toch zeker niet zo slecht als algemeen wordt aangenomen. Eén ongunstige controle op tien inzake het rookverbod is toch beter dan in de volksmond wordt aangenomen.’

De minister laat ook weten van mening te zijn dat het publiceren van de individuele inspectieresultaten van de controlediensten een te overwegen laatste redmiddel is als de actuele maatregelen niet het verhoopte resultaat opleveren. Onder die maatregelen hebben we ondermeer de toekenning van de FAVV-smiley in het kader van de autocontrole, de sedert 2008 aangeboden omkadering door een voorlichtingscel van het FAVV en het recent initiatief ‘Opleidingsalternatief voor een administratieve boete’, naast de klassieke repressieve maatregelen en sancties. Via een beveiligde module op de website van het FAVV kunnen horecazaken wel al hun eigen inspectieresultaten bekijken. ‘De publicatie van de individuele inspectieresultaten beschouwen als een ultieme remedie, als alle andere middelen ontoereikend bleken, is een lovenswaardige strategie’ meent De Padt. ‘Het belangrijkste is dat horecazaken worden gecontroleerd en dat ze de kans krijgen zich in orde te stellen met de wettelijke vereisten. Pas als alle middelen geen soelaas lijken te brengen, en de uitbaters dus hardleers blijken, kan eventueel overgegaan worden tot de publicatie van de resultaten. Het kan toch niet de bedoeling zijn de horeca, een sector die het vandaag al heel moeilijk heeft, om de oren te slaan met hopen verplichtingen, massaal veel controles en een stigmatisering door de publicatie van negatieve resultaten. Dat is voor niemand goed. De horeca blijft uiteindelijk een belangrijke sector in onze economie.’

Guido De Padt (0475/449404)