Gemeenschapsdienst door leefloners kost minimaal 30 miljoen per jaar

Er is de laatste dagen veel te doen geweest over de leefloners, waarvan men verlangt dat zij voortaan het onkruid op de stoepen moeten wieden. Ook het vuil van de straat -waar zij soms mee vereenzelvigd worden- zou door hen moeten opgeruimd worden. Ik hoorde ook al mensen opperen dat de oudjes in de rustoorden door deze steungerechtigden zouden moeten geholpen worden bij het nuttigen van een maaltijd, enz. ‘Wanneer de gemeenschap investeert in mensen via een leefloon, moet daar iets tegenover staan’, verklaarde een socialistisch schepen recent in de pers. Even terzijde: enige tijd terug wou ik als OCMW-voorzitter van Geraardsbergen,  de toekenning van een leefloon koppelen aan de verbintenis om binnen een bepaalde termijn een minimale kennis van het Nederlands te  verwerven. Volstrekt onaanvaardbaar, was de reactie van de socialisten. Ik was dus verbaasd te lezen dat de sp.a het leefloon (en wellicht bij uitbreiding ook de werkloosheidsvergoedingen) wil laten afhangen van de bereidheid om gemeenschapsdiensten uit te voeren. Maar dat dus even terzijde. Het debat over het uitvoeren van taken van algemeen nut door mensen die “trekken van het OCMW” of “op den dop staan” leeft al een tijdje. Toenmalig minister van tewerkstelling Miet Smet lanceerde  in 1993 al de idee  om voor langdurig werklozen een verplichte gemeenschapsdienst in te voeren. Toen ook de VLD er in 2004 voor pleitte om werklozen en steuntrekkers gemeenschapsdienst te laten leveren in ruil voor een uitkering, oogstten de liberalen een storm van kritiek. Maar de politieke geesten zijn dus blijkbaar aan het rijpen. De vraag die zich evenwel stelt is te weten of de lokale overheden daar zelf wel rijp voor zijn. Elke OCMW-voorzitter weet immers dat het weinig of geen zin heeft om leefloongerechtigden aan het werk te zetten zonder begeleiding. En dat het soms om steuntrekkers  gaat die zelfs met begeleiding, opleiding en vorming, niet in staat zijn om te werken, blijkt uit volgende vaststelling. Sinds enkele jaren sanctioneert de  RVA veel vlugger diegenen die niet werkwillig zijn. Daardoor belanden meer en meer mensen bij het OCMW. Ik geef hierna de cijfers weer voor de Wallonië, terugkoppelend naar  een studie van de Fédération des CPAS (www.ucvw.be/cpas). In 2005 verhuisden  in Wallonië 373 personen van de RVA naar de OCMW’s, terwijl er in 2009 niet minder dan 4499 geschorste werklozen ten laste kwamen van de OCMW’s, of een verhoging van 1.206% op vier jaar. Vooraleer geschorst te worden als uitkeringsgerechtigde werkloze, wordt al vrij veel druk uitgeoefend op de werklozen en worden hen door de VDAB/FOREM ook tools aangereikt om gemakkelijker de weg naar regulier werk te vinden. Dit allemaal negeren en “er zijn klak aan vegen” – waardoor men geschorst wordt – wijst op een bedenkelijke attitude. Het gaat (in Wallonië) in het merendeel van de gevallen om niet- of laaggeschoolden tussen 26 en 45 jaar, waarvan ongeveer de helft mannen en vrouwen, en 51% éénoudergezinnen. 
En daar moeten de  OCMW’s –ook de Vlaamse-  het dan maar mee stellen. Zij moeten vooreerst de uitbetaling van de leeflonen van de RVA-geschorsten   ten laste nemen;  in Wallonië raamt men de supplementaire kosten op 36 miljoen euro. Daarenboven zouden de OCMW’s nu onder meer deze categorie van steuntrekkers maar gemeenschapsdiensten  moeten laten uitvoeren. En laat ons wel wezen. Ook ik ben van oordeel dat we diegenen die maandelijks een leefloon genieten (725,79 euro als alleenstaande en 967,72 euro als persoon met gezin ten laste) aan het werk moeten helpen. Maar dan niet om ze te stigmatiseren, maar wel om hen opnieuw een toekomst te geven. Want werk hebben is één van de basisbehoeften van elke mens. Het is ook één van de voorwaarden om zich gerespecteerd te voelen  en om zelfredzaam te zijn. Maar ik pleit voor nuancering. Want het is overduidelijk dat deze categorie van mensen niet zonder omkadering aan de slag kunnen, hoe eenvoudig ook de uit te voeren werkzaamheden zouden zijn. Wij ondervinden dit dagelijks in het kader van de zogenaamde art. 60-tewerkstelling: wij moeten sommigen nog helpen om op tijd wakker te worden en soms gaan we ze zelfs aan de voordeur wakker bellen (want ze beantwoorden zo vroeg hun gsm niet). Wij moeten hen soms diets maken dat een borstel dient om te vegen en niet om te vechten. Misschien maak ik er een karikatuur van, maar de meest eenvoudige basisvaardigheden moeten er veelal nog worden ingepompt. En dat zal niet anders zijn met diegenen die we een gemeenschapsdienst laten uitvoeren. Een professionele begeleiding (iemand die zowel technische, als -vooral-  psychologische vaardigheden heeft) is dus absoluut noodzakelijk, wil men vermijden dat het straatvuil de rioolkolken zou gaan verstoppen.  En begeleiding kost geld! Wij rekenen op 50.000 euro voor het begeleiden van een ploeg van 4 mensen, werkingskosten en kledij inclusief. En zijn dat nuttige uitgaven? Ongetwijfeld, maar men moet er wel het geld voor hebben. En daar knelt juist te schoentje. Sommige maatregelen -zoals het terecht verstrengen van het toezicht op de naleving van de werkloosheidswetgeving – hebben een gunstig effect op de federale uitgaven, maar verleggen de lasten voor een groot gedeelte naar de lokale actoren. Deze worden daar niet voor gecompenseerd, waardoor federale besparingen voor een groot deel worden overgenomen door de OCMW’s. Hen daar dan bovenop nog eens “verplichten” om aanzienlijke budgetten te spenderen aan de begeleiding van die gemeenschapsdiensten, is van het goede te veel. Gemiddeld kregen in 2009 in België 90.528 mensen maandelijks een leefloon. Indien men 5% daarvan aan het werk zou zetten om straten en pleinen op te ruimen en gesteld zijnde dat men voldoende begeleidingspersoneel zou vinden -quod non-, dan kost dit aan de OCMW’s meer dan 60 miljoen euro/jaar aan begeleidings-, omkaderings-, werkingskosten, enz. Maar vermits het om eenvoudige werkjes gaat, zou men dit bedrag kunnen halveren, ervan uitgaande dat één persoon de begeleidingsklus wel kan klaren voor 8 steuntrekkers. Maar dan gaat het nog over 30 miljoen/jaar. De stelling dat steuntrekkers iets moeten teruggeven aan de samenleving, omdat die hen geld toestopt, kan dus voor onverwachte gevolgen zorgen. De keerzijde van de medaille zou immers kunnen zijn dat we allen nog dieper in onze geldbeugel moeten tasten.
Guido De Padt
OCWM-voorzitter Geraardsbergen (Open VLD)
Senator