“Echt fier op de “rijkdom” van onze burgers hoeven we dus in feite niet te zijn,…”
Kort voor de federale verkiezingen van juni 2010, was ik aanwezig op een persconferentie over het armoedebeleid. Een aantal politici mochten er kort het woord nemen en ik hoorde er Steven Vanackere, uittredend minister van Buitenlandse Zaken, pleiten voor een toekomstige eerste minister die het armoedebeleid tot het zijne moet maken. De bestrijding van de armoede zou een specifiek toegewezen bevoegdheid moeten worden van de nieuwe federale regeringsleider, aldus Steven. Dit kon op heel wat bijval van de aanwezigen rekenen. Maar moeten daar geen kanttekeningen bij gemaakt worden? De vaststelling dat in ons land één kind op de vijf, jonger dan zes jaar, opgroeit in armoede, is al even onrustwekkend als de veronderstelling dat een eerste minister een echte bevoegdheidsallocatie nodig zou hebben om zich ten volle in te laten met deze dramatische problematiek. Volgende cijfers moeten er ons immers toe aanzetten dat we met de bestrijding van het armoedebeleid ’s morgens zouden moeten opstaan en er ’s avonds onder de veren moeten mee kruipen. Niet alleen de Premier moet dat doen, maar àlle beleidsmakers, alle politici, alle gezagdragers, alle “levende krachten”, alle burgers! Net geen 17 procent van alle Belgische kinderen groeit dus op in een arm gezin, twaalf procent ervan wordt groot in een gezin met werkloze ouders. België is wat betreft armoede bij kinderen de vijfde slechtste leerling van de Europese klas. Ook het VN-Comité voor de Rechten van het Kind kwam in juni van dit jaar tot dezelfde conclusies. Volgens een Europese enquête 2008 leeft 14,7% van de Belgische bevolking onder de armoededrempel. In Vlaanderen loopt 10% van de bevolking een verhoogd armoederisico, in Wallonië loopt dit percentage op tot 19,5%. Het gaat hier over meer dan 1,5 miljoen personen (!). Eenoudergezinnen en laag geschoolden zijn de meest kwetsbare groepen. Volgens de Armoedebarometer 2010 is het armoederisico sinds 2005 constant gebleven op 15%. Geen verbetering dus over al die jaren en de vraag is: “waarom zijn we daar niet écht verontwaardigd over? Waarom gedogen we dat ?” Beseffen we wel dat het subjectief armoederisico (het gevoel de eindjes niet aan mekaar te kunnen knopen), na drie opeenvolgende dalingen, in 2008 is gestegen tot 22% ? Dit is het hoogste niveau voor de thans beschikbare jaren. Als OCMW-voorzitter worden wij dagelijks geconfronteerd met deze naakte, maar keiharde realiteit. Soms blijf je als politicus verweesd achter na de smeekbedes die men heeft aanhoord en waar je soms weinig soelaas kan aan bieden. En je bedenkt dan hoe onrechtvaardig het is dat de toekomst van iemand in grote mate wordt bepaald door de wieg waarin hij of zij geboren wordt. Dat het ontwikkelen van embryonale talenten daardoor volledig kan gefnuikt worden. Dat men niet alleen kansarm wordt ten gevolge van de aard van de gezinsbiotoop waarin men geboren wordt, maar dat het ook zo verdomd moeilijk om uit de kansarmoede te geraken. En dat dit vooral te wijten is aan het feit dat een kind vanaf de eerste levensjaren lichamelijk en verstandelijk wordt gevormd, waarbij de rol van de ouders ontzettend belangrijk is. Het fenomeen van de armoede die doorgegeven wordt van generatie op generatie is ontzettend schrijnend. Het is moeilijk te begrijpen dat een zogenaamd moderne verzorgingsmaatschappij niets of weinig doet aan het feit dat er nu kinderen van minder dan 10 jaar rondlopen waarvan, met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan gezegd worden dat ze over pakweg 10 tot 15 jaar in de kansarmoede zullen belanden.
En daar is hij dan, die vicieuze cirkel die wellicht dé oorzaak is van het onvoldoende kunnen bestrijden van de armoedeproblematiek. Want laat ons wel zijn: lees bovenaan de armoedecijfers van de kinderen er nog eens op na en men beseft dat we voor een aartsmoeilijke opdracht staan. Kinderen uit arme gezinnen lopen immers meer kans om zelf arm te blijven. Zijn hun ouders bovendien werkloos, dan loopt dat risico op tot 75 procent. In schril contrast (alhoewel) met dit alles, staat de recente mare dat de Belgische gezinnen de rijkste zijn van Europa. Zij hebben een zeer groot vermogen, omdat ze veel sparen. De waarde van hun spaargeld en beleggingen is dubbel zo groot als het Belgisch bruto binnenlands product en ons gemiddeld gezinsspaarpotje bedraagt 156.000 euro. Maar ook hier moeten dus kanttekeningen bij gemaakt worden. Het zijn immers landen met een hoge overheidsschuld die meestal rijke gezinnen hebben. Deze wakkere gezinnen anticiperen op hogere taksen door veel geld in hun spaarpot te stoppen. Maar dat betekent evenzeer dat er veel minder consumptie en investeringen zijn, hetgeen een neerwaartse invloed heeft op de economische activiteit en op de werkgelegenheid. En dit betekent ook een stagnatie of zelfs opwaartse druk van het armoedepeil. Echt fier op de “rijkdom” van onze burgers hoeven we dus in feite niet te zijn, want dat bezit is blijkbaar in hoge mate geïnspireerd door angst voor de toekomst. De bestrijding van de armoede is een integrale en geïntegreerde opdracht. Elk beleidsniveau moet zijn verantwoordelijkheid opnemen. Zoals dat gebeurt met milieu-effectenrapporten of Kafka-toetsen, moet ook een armoede-effectrapportage toegepast worden op beleidsmaatregelen die men wil invoeren. Er zal aldus telkens een reflectie moeten gebeuren over de wijze waarop de besluitvorming het best rekening houdt met de draagkracht, mogelijkheden en toekomstperspectieven van mensen die in armoede leven. Het gevaar bestaat dat men zich daarbij vooral zou gaan fixeren op het inkomen, maar dat is slechts “kurieren am symptom”. Werk en onderwijs, daar moet m.i. heel hoog op ingezet worden. En laat ons ook het belang van de lokale overheden in dit grote verhaal niet uit het oog verliezen. Zij staan het dichtst bij de bevolking en zij zijn het die de problematiek het best kunnen inschatten.
Confucius drukte het ooit uit als volgt: “In een goed geregeerd land is armoede iets om je over te schamen”. Beste Elio, hang deze wijsheid voortaan boven uw bed.
Guido De Padt
Senator (Open VLD), vast lid van de Commissie Sociale Zaken
OCMW-Voorzitter Geraardsbergen